30 maart 2017

We begonnen eerst met de smartgames, maar daar ga ik nu niet te veel over vertellen. Omdat de meeste mensen dat nu wel weten.

 

Daarna gingen we het verslag van Tijn lezen. Ik vond het een leuk verslag.

 

We kregen ook weer een homoniem deze keer was het:

In de…. staat een ….

 

Daarna deden we iets nieuws, wat ik nog nooit had gedaan.

We gingen een breinkraker doen, je moest in 5 stappen van ballon naar brood gaan. Het maakte niet uit wat soort ballon het was. Ik zal wel een voorbeeld geven.

1. Een luchtballon heeft vuur nodig

2. Met vuur kan je een bakkerij aansteken

3. Als er vuur is komt de brandweer

4. De brandweer eet eten

5. Eten is brood

 

Daarna moesten we van gitaar naar gras.

1. Een gitaar is van hout

2. Hout komt van een boom

3. Een boom heeft wortels

4. Die wortels groeien in de aarde

5. Op de aarde groeit gras

 

Je ging vertellen aan elkaar in je groepje wat je had en daarna moest elk groepje iets verzinnen voor een ander groepje. Ons groepje kreeg: Van ruimteschip naar tuinier. Onze oplossing was daarvoor:

 

1. Een ruimteschip zit in de ruimte

2. In de ruimte zit het zonnestelsel

3. In ons zonnestelsel zit de aarde

4. Op de aarde leven mensen

5. Een mens kan een tuinman zijn. 

 

Als je nog meer van dit soort dingen wilt zien moet je aan het einde kijken.

 

Na de breinkraker deden we Spaans dat was een hele leuke les. We deden het uit het boekje collega. Daar zitten allemaal Spaanse woorden en gesprekjes in.

 

Daarna deden we pauze en na de pauze kregen we roze koeken !

 

Als laatste gingen we een ballondebat doen, dat had ik nog nooit gedaan. Het was eigenlijk best wel simpel.

Je ging tegen elkaar debatteren. Maar wel met 5 mensen. In het eerste debat moest je een beroemd persoon zijn. Je moest zeggen waarom jij in de luchtballon moet blijven zitten.

Daarna ging de rest van de ‘beroemde personen’ ook vertellen waarom hij/zij in de luchtballon moest zitten/staan. De rest van de jury ging 3 van de 5 mensen

Kiezen die door mochten gaan. De jury is eigenlijk gewoon de rest van de verrijking. De 3 ‘beroemde personen’ moest je op een papiertje schrijven.

In Ronde 2 moest je gaan vertellen waarom de andere uit de luchtballon moest. Daarna deden we het spel nog een keer, maar dan was je geen beroemd persoon maar een dier.

Dit was mijn verslag over de verrijkingsochtend, hier onder zie je nog breinkrakers waar ik eerst over had verteld.

 

Van Ballon naar brood

1. Een ballon kan vliegen

2. Vliegen kan een vogel

3. Een vogel is hoog

4. Hoog is een molen

5. In een molen maak je brood

 

1. Een ballon kan lek

2. Lek kan een zwemband

3. Een zwemband heeft lucht

4. Lucht is in een bakkerij

5. In de bakkerij is brood

 

1. In een ballon zit lucht

2. In de lucht zit zuurstof

3. Zuurstof heb je nodig voor vuur

4. Vuur zit in een oven

5. Met een oven bak je brood

 

1. Een ballon is van rubber

2. rubber is natuurlijk materiaal

3. Tarwe is ook een natuurlijk materiaal

4. Van tarwe maak je deeg

5. Deeg wordt in de oven van de bakker brood

 

1. Een ballon kan kapot

2. Kapot kan een fietsband

3. Een fietsband wordt gemaakt in een fabriek

4. In een fabriek wordt meel gemaakt

5. Brood maak je met meel

 

1. Een ballon is opgeblazen door een mens.

2. Een mens eet eten

3. Als hij niet eet gaat hij dood

4. Dood is niet fijn

5.  Het is fijn om brood te eten

 

1. In een (lucht)ballon zie je het platteland

2. Het platteland is bij een boer

3. Een boer verbouwt planten

4. Tarwe is een plant

5. Van tarwe kan je brood maken.

 

1. Een ballon hoort bij een feest

2. Bij een feest eet je taart

3. Je eet taart een taart is zoet

4. Een taart haal je bij de bakker

5. En een bakker bakt brood

 

1. Een (lucht)ballon heeft hete lucht nodig

2. Hete lucht komt door vuur

3. Vuur is warm

4. Je hebt hitte nodig in een oven

5. In een oven bak je brood

 

1. Een ballon blaas je op op een verjaardag

2. Als iemand jarig is eet je cake

3. Cake wordt gemaakt door bakkers

4. Bakkers maken het met deeg

5. Brood maak je met deeg

 

 

1. In een ballon zit lucht

2. In de lucht vliegen vogels

3. Eenden zijn vogels

4. Eenden zitten in het water

5. Water zit in brood

 

1. Een luchtballon heeft gas nodig

2. Met gas kan je eten maken

3. Eten kan je niet met vuur maken

4. Vuur gebruik je voor de oven

5. In de oven wordt brood gemaakt

 

Dat was van ballon naar brood nu laat ik alle zien van gitaar naar gras. Dit zijn er niet heel veel, want dit was eigenlijk bedoeld als je klaar was met van ballon naar brood en het is best wel lastig om zo iets te bedenken. Dus dan heb je wel wat tijd nodig.

 

1. Met een gitaar maak je muziek

2. Muziek is grappig

3. Grappig is leuk

4. Als iets leuk is speel je er mee

5. Met gras speel je

 

1. Een gitaar is van hout

2. Hout is gemaakt van bomen

3. Bomen staan in een bos

4. In een bos staan planten

5. Gras is een plant

 

1. Een gitaar maakt muziek

2. Muziek is romantisch

3. Romantisch vind een meisje leuk

4. Een picknick is ook leuk

5. Een picknick op gras

 

1. In een snaar van een gitaar zit staal

2. Staal komt uit steen

3. Steen zit in de bergen

4. Bergen zijn schepsels van de natuur

5. Gras is een voorbeeld van natuur.

 

1. Een gitaar heeft snaren

2. Die lijken op haren

3. Haren komen van een dier

4. Een dier is een paard

5. Een paars eet gras

 

Wij moesten dus zulke breinkrakers verzinnen voor andere groepjes en andere groepjes moesten dat ook voor ons doen. Hier zal ik ze laten zien.

 

Van ruimteschip naar tuinman

 1. Een ruimteschipzit in de ruimte

2. In de ruimte zit het zonnestelsel

3. In ons zonnestelsel zit de aarde

4. Op de aarde leven mensen

5. Een mens kan een tuinman zijn. 

 

Van zandkorrel naar vliegtuig

1.  Een zandkorrelligt  op het strand

2. Op het strand staat een kraampje

3. Naast het kraampje staat een boom

4. De boom zorgt voor zuurstof

5. Zuurstof heb je nodig in een vliegtuig

 

Van gras naar klokhuis

1. Gras groeit in de grond

2. Uit de grond groeit een boom

3. Aan een boom zitten takken

4. Appels groeien aan takken

5. In appels zit een klokhuis

 

Van zon naar stoel

1. De zonis een ster

2. Een ster is warmte

3. Bij warmte hoort vakantie

4. Bij een vakantie hoort een zwembad

5. Naast het zwembad staat een stoel